Blog 6: het toetje

Het uitzonderlijk warme en rustige weer in Mehamn bleek inderdaad van korte duur. ’s Ochtends werd ik wakker met flinke wind en regen.
Mijn tentje stond, dankzij het advies van de campingbaas, redelijk in de luwte, maar de Noor Runar (die van januari tot juli van zuid naar noord Noorwegen gelopen(!!) heeft, in januari met ski’s en slee, zodra de sneeuw weg was met een backpack) had zijn tent heel optimistisch boven op een heuvel gezet. Aan het eind van de ochtend zag ik ‘m toch de tent afbreken en beneden weer opzetten. Niet dat de tent het niet zou houden, maar de sterke wind trok de haringen uit de grond.
Ik vulde mijn dag met lummelen, een blog schrijven en een tochtje naar de supermarkt toen het droog was. ’s Avonds kookte ik in de keuken van de jeugdherberg en uiteindelijk zaten we met z’n zessen aan tafel: een Oostenrijker uit Wenen, één uit Innsbruck, een Duitse fietser, een Zweedse, de Noorse wandelaar en ik. Het was erg gezellig en de conversatie werd afwisselend in Duits en Engels gevoerd. Iedereen heeft zo zijn eigen redenen om dit soort uithoeken te bezoeken en het is altijd boeiend om de verhalen van anderen te horen. Zo weet ik nu dat er aardig wat mensen zonder hun partner op reis gaan, soms zelfs voor enkele maanden. Niet omdat ze een hekel aan hun partner hebben, maar omdat ze zo graag alleen reizen en hun partner het daarmee eens.

Een laatste blik op Noorwegen

De volgende ochtend pakte ik mijn spullen in en ging weer op pad. Het zou weer een zware dag worden, 100km en 1000 hoogtemeters. Weer fietste ik over een uitgestrekte hoogvlakte, ditmaal met dichte mist. Ik was erg verbaasd toen ik in de verte de gestalten van fietsers zag opdoemen. Langzaam maar zeker kwam ik naderbij en bij een bord dat waarschuwde voor haarspeldbochten, en waar ik vermoedde dat de afdaling zou beginnen, ontmoette ik de twee fietsers die ook gestopt waren om zich wat warmer aan te kleden. Het waren Duitsers die met elektrische fietsen op pad waren. Ze waren diep in de zestig maar dankzij de elektrische fietsen konden ze toch nog de fietsvakanties ondernemen waar ze zo dol op waren. Leve de technische ontwikkelingen!

Dichte mist

Het fietsen viel me wel weer zwaar en daarom besloot ik om bij de laatste camping voor Finland een extra dag te blijven. Ik waste mijn kleding met de hand, omdat de wasmachine bezet was, en het was zo warm dat mijn kleding toch in een paar uur droog was. Verder leerde ik het hier af om mijn binnentent open te laten en teenslippers te dragen. Dankzij het warme weer was er een muggenexplosie en er zaten er, zonder overdrijven, tientallen in mijn buitentent. Als ik die allemaal dood moest slaan voor ik zou gaan slapen zou ik een eeuwigheid bezig zijn en zo’n stapel muggenlijkjes in de buitentent staat ook niet gezellig. Buiten de veilige binnentent hadden de muggen het op mijn blote voeten voorzien en al snel zaten m’n voeten en enkels onder de muggenbulten. ’s Nachts werd ik wakker omdat ik met mijn ene voet de ander krabde. Gelukkig viel het in de receptie van de camping mee, was daar wifi en was de receptie de hele dag en avond open. Zodoende zat ik daar dus zondagavond met mijn laptop om voetbal te kijken. Helaas was de livestream van de NOS geblokkeerd omdat ik in Noorwegen zat, máár, wat was de tegenstander van Nederland?! Juist, Noorwegen! Na wat gezoek vond ik uit dat de Noorse televisie de wedstrijd ook uit zou zenden en uiteindelijk zat ik dus naar de livestream van NRK 1 te kijken en het enige wat ik verstond waren de namen van de Nederlandse speelsters, die verbazingwekkend goed werden uitgesproken door de Noorse commentatoren. Ik genoot ervan om weer eens voetbal te kijken. De volgende ochtend uitte ik tegen de campingbaas mijn verbazing over het feit dat de livestream geen moment gehaperd had. Hij deelde mijn verbazing, want de wifi was volgens hem niet zo goed geweest, maar hij vertelde er ook meteen bij dat de Noorse overheid geld teveel had (zijn woorden) en een glasvezelkabel langs de kust heeft aangelegd. Zelfs in de meest afgelegen gebieden hebben mensen dus toegang tot glasvezel! Dat verklaart veel.

De grens!

Een uurtje na mijn vertrek van de camping kwam ik bij de grens met Finland. Er was wederom geen enkele controle maar er stond wel een blauw bord met gele sterren! Na wat verwarring over hoe laat het nu was, gaf mijn telefoon uiteindelijk toch de juiste Finse tijd aan. Niet dat het op de fiets erg nauw komt, maar het is toch fijn om net voor sluitingstijd bij een minisupermarktje aan te komen en niet een uur te laat. Het was ruim boven de 25 graden en hoewel dat in Nederland inmiddels normale temperaturen schijnen te zijn in de zomer moest ik er behoorlijk aan wennen. De zonnebrandcrème en het zweet dropen weer van mijn gezicht. Gelukkig bleef het niet zo warm en na enkele dagen in Finland reed ik een flinke bui in. Ik stopte op een parkeerplaats, deed mijn regenjas aan en schuilde onder een boom waar ik direct belaagd werd door een tiental muggen. Ik keek om me heen, naar de bomen die inderdaad zodra ik de grens over gegaan was niet meer verdwenen waren, en vroeg me af waarom ik dit aan het doen was. Ik had mijn doel, fietsen door Noorwegen, bereikt en dit was een soort toetje. Maar wat moet je met een toetje dat je niet lekker vindt? Ik besloot op de volgende camping te beslissen. De camping lag tussen een rivier en verschillende slootjes dus het stikte er werkelijk van de muggen maar gelukkig verkocht de campingeigenaar antimuggenspray. Het was agressief spul dat stonk en prikte in mijn gezicht, dat misschien iets te veel zon gehad had, maar het werkte goed. Ondanks de teleurstelling om niet alles te fietsen was mijn keuze was snel gemaakt, ik zou weg 4 blijven volgen naar Ivalo, en daar kijken of er een bus naar Rovaniemi ging. Ik zat niet lekker meer op mijn fiets, mijn voeten, tenen, knieën, handen en schouders deden pijn. En ik vond Finland saai, het bestaat zoals andere fietsers me al verteld hadden, uit een eindeloze hoeveelheid bomen met af en toe een ter afwisseling een meer. Ik wilde dat een keer ervaren, heb het ervaren, en weet nu dat het niks voor mij is.
In Ivalo bleek, met hulp van m’n moeder en een vriendin, al snel dat er inderdaad bussen rijden en dat een fiets meenemen geen probleem is. Dit keer had ik gelukkig een vriendelijke buschauffeur die me hielp om de fiets en tassen in de bus te zetten en aan het eind van de rit zelfs speciaal voor mij omriep dat we bij ‘Santa Claus village’ waren, de bushalte die voor mij het dichtst bij de camping was. En wederom stapte hij uit om me te helpen de fiets weer uit de bus te tillen. De bus had in vijf uur gedaan waar ik vier dagen over gedaan zou hebben en ik was blij met mijn beslissing. Ik deed mijn tassen op mijn fiets en reed de 7 kilometer naar de camping.

Enige afwisseling van de eindeloze bossen.

Dus daar zit ik nu. Doel bereikt. Over twee dagen landt mijn moeder in Rovaniemi en gaan we samen op pad. Tot die tijd luier ik, lees ik veel boeken en geef ik mijn knieën wat rust, die nu zelfs protesteren als ik van de trap afloop. Misschien heb ik toch te veel geforceerd maar rust is het beste medicijn dus dat krijgen ze van me. Het is wat afgekoeld en het waait, dus hoewel ik aan het water zit heb ik geen last van muggen. Morgenavond eens kijken of het internet goed genoeg is en of het lukt de NOS te laten denken dat ik in Nederland ben, want dan kan ik Nederland-België kijken. Als dat niet lukt kan ik altijd nog radio 1 proberen, want die deed het ook toen Nederland tegen Denemarken speelde.
Kortom, nog een paar dagen uitslapen en lummelen en daarna weer op pad, met mijn moeder dit keer!

De route: Mehamn – Ifjord – Tana Bru – Utsjoki – Kaamanen – Ivalo – (Bus Ivalo – Rovaniemi) – Rovaniemi

Advertenties

Blog 5: we zijn er bijna

De afgelopen weken heb ik veel mooie dingen gezien dus daarom ditmaal heel veel foto’s!

Bij één van de vele ferry’s sprak ik even kort met de Britse fietser Tom die samen met een Fransman aan de westkant het eiland om ging, terwijl ik juist aan de oostkant ging fietsen. Vaak zie je elkaar daarna niet meer, maar de volgende dag haalde Tom mij in. We reden samen verder en bleken een vergelijkbaar fiets- en rusttempo te hebben. Terwijl we langs de kust fietsten keken we allebei naar links, waren dat nou vreemde rotsen of toch? Ja, Europese zeearenden! Vier stuks maar liefst en indrukwekkend groot.

Tom kampeert bijna nooit op campings dus besloten we samen in de duinen te kamperen. Ik had gedacht dat je je altijd moet verstoppen maar tot mijn verbazing stonden er nog drie andere tentjes duidelijk in het zicht in de duinen. 

We moesten de volgende ochtend wel vroeg op omdat de ferry maar drie keer per dag voer, om 08.45, 13.00 en 19.00. ’s Avonds was het nog windstil (muggen!) maar ’s nachts kwam de wind op en daardoor stond ik om half zes alweer naast mijn tent, ruim op tijd om de ferry te halen. De ferry bracht ons naar Senja waar Tom verder fietste naar het zuid-oosten en ik naar het noorden. Senja schijnt even mooi, maar veel rustiger, als de Lofoten en Vesterålen te zijn. Helaas kon ik daar door de laaghangende bewolking niet veel van zien.

Op Senja zijn veel tunnels, maar omdat er ook veel fietsers zijn zijn er de nodige maatregelen getroffen. Zo staan er bij veel tunnels brievenbussen waar reflectiehesjes in zitten, die je na de tunnel weer in een andere brievenbus kan doen voor andere fietsers. En er staan borden met een drukknop, als je daarop drukt gaat er een lamp knipperen die automobilisten waarschuwt dat er een fietser in de tunnel is! Dat maakte het fietsen door de tunnels weer een stukje fijner.

De tunnels worden vaak gegraven om veel stijgen en dalen te vermijden. Soms ontkom je er echter niet aan, maar dat levert dan ook weer hele mooie uitzichten op!

Langzaam maar zeker naderde ik Alta, de laatste grote stad voor ik de Noordkaap zou bereiken. Zo om je heen kijkend zie je soms wonderlijke dingen, hoe cool is dit! Een zipline in de tuin waar je vanaf de weg, over de vangrail, zo je tuin in kan roetsjen!

En een halve kilometer voorbij de camping bij Alta stond dan eindelijk HET bord, nog slechts 229 kilometer naar de Noordkaap!

Maar om daar te komen moest ik eerst Sennafjellet over. Een hoogvlakte van ruim 60 kilometer waar op wat huisjes na niks is. Eerder sprak ik een Schotse fietser die me voor dat stuk waarschuwde: toen hij er was had hij tegenwind en ijsregen waardoor hij het verschrikkelijk koud had gekregen. Maar de ochtend waarop ik de fjell over zou gaan ontbeet ik in de zon voor m’n tent en had ik het gevoel dat ik in Zuid-Frankrijk was. Daarbovenop had ik ook nog eens wind in de rug dus ik zoefde zonder moeite de fjell over. Op de foto’s is het niet te zien maar de uitgestrektheid is ongelofelijk.

Na de fjell volgde ik weer de kust, waar het verontrustende bord stond dat waarschuwde voor maar liefst 73 kilometer wind! De weergoden waren me echter gunstig gezind, tweederde van de tijd had ik wind mee!

Wederom vergat ik mijn kilometerteller goed bij te houden dus weer iets te laat, maar wél met een mooi bord op de achtergrond.

Op dit moment was ik al 32 kilometer onderweg. Mijn laatste traject besloeg maar liefst 130 kilometer en aan de hoogtemeters wilde ik niet eens denken (een andere Schot vertelde het me toen ik 25 kilometer onderweg was: vanaf hier nog 105 kilometer en 1500 hoogtemeters, thanks!). Ik had er wel over gedacht om het traject op te splitsen, maar ik wilde ook gewoon heel graag de Noordkaap bereiken. Toen ik het er met andere fietsers over had verklaarden ze mij, met een blik op mijn beladen fiets, voor gek. Sommigen zeiden dat ze de bagage op de camping achterlieten en zonder bagage naar de Noordkaap gingen en dat ik dat ook moest doen, maar dat vond ik geen optie. Ik had al 4000 kilometer met al die bagage rondgefietst, dan zou ik die laatste 30 kilometer naar de Noordkaap óók met bagage afleggen, kom nou!
En het liep gesmeerd, regelmatig had ik wind mee. Ik zag nog een zeearend die iets in zijn klauwen had en liet vallen, en vele andere vogels. Langs de weg zag ik prachtige rotsformaties.

En toen kwam ik bij de tunnel waar ik de meest vreselijke verhalen over gehoord had. Fietsers die zich twintig minuten mentaal voorbereid hadden voor ze de tunnel in durfden, fietsers die een tunnelfobie ontwikkeld hadden, of die de bus of boot namen om de tunnel te vermijden. De Noordkaaptunnel duikt 200 meter onder zeeniveau en naar beneden is dat niet zo erg (alleen koud), maar je moet ook weer naar boven en de laatste twee kilometer stijgt de weg 10 procent, dat is steil. 

Dus na me warm aangekleed te hebben (muts, buff, handschoenen) en oordoppen in gedaan te hebben dook ik de tunnel in, om na vijf minuten alweer te stoppen op een pechstrook. Hier beneden konden alle warme kleren weer uit. Ik steeg langzaam maar zeker en het ging goed. De tunnel was goed verlicht, de oordoppen hielpen goed tegen de herrie van de ventilators, en er was weinig verkeer. De laatste kilometer was wel zwaar, ik werd moe en door de steile helling ging ik steeds meer zwenken over de weg. Dus toen stapte ik af en liep over het smalle voetpad verder. De laatste paar honderd meter fietste ik weer en ik stopte bij een toilet vlak bij de uitgang van de tunnel. Was dit het nou, vroeg ik me verbaasd af. Ik vond het alleszins meevallen en heb wel door engere tunnels gefietst. In vergelijking met andere tunnels in Noorwegen was het qua verkeersdrukte en kwaliteit van het wegdek echt een eitje.

In Honningsvåg zag ik een portemonnee en telefoon midden op de weg liggen. Ik was er eigenlijk al voorbij maar draaide me toch om om de spullen op te rapen. Ik vind dat altijd vervelend, want dan móét ik er ook iets mee en dat is gedoe, dus ik had het liever niet gezien. Maar ja, eenmaal gezien speelt het verantwoordelijkheidsgevoel op hè. Aan het rijbewijs zag ik dat de portemonnee van een Noor was, dat zou het allicht makkelijker maken. Op de telefoon zat een code dus daar had ik niets aan. Toen zag ik het bordje van de jeugdherberg. Ik liep naar de balie en voor ik het wist werd de naam gegoogeld en werden er telefoonnummers gebeld. Ik zei twee keer dat ze het verder wel zouden redden hè, dan kon ik boodschappen gaan doen, maar de vrouw achter de balie gebood me om even te blijven. En ik lieg niet, binnen vijf minuten kwam de vrouw van de eigenaar de portemonnee en telefoon ophalen! Ik was stomverbaasd en de vrouw van de jeugdherberg moest lachen ‘too quick!?’. Overigens was de vrouw van de eigenaar weer snel verdwenen tot ergernis van de vrouw van de jeugdherberg. ‘Ik had wel verwacht dat je een fooi zou krijgen’, zei ze verbolgen, ‘dat hoort toch zo!’ Vandaar dat ze er zo op aangedrongen had dat ik zou blijven en mijn naam en telefoonnummer op zou schrijven. Maar helaas voor mij, geen fooi. Maar wel een goed gevoel, ondanks het gedoe (en zoveel gedoe was het eigenlijk niet, achter de balie bij de jeugdherberg werd al het werk gedaan!).

Het weer was al die tijd grauw, bewolkt en winderig.

Maar langzaam maar zeker kwam daar verandering in.

En toen ik dan eindelijk op de Noordkaap aankwam…

Ja, de weergoden waren mij weer eens gunstig gezind!

De Noordkaap zelf is een toeristenkermis, maar gelukkig zijn mensen kuddedieren en als je dus een stukje van de meute weggaat merk je niks van al die mensen.

Er groeien zelfs een paar bloemetjes op de kale kaap.

En ondanks die 130 kilometer en meer dan 1500 hoogtemeters moest ik natuurlijk wel opblijven nu het zonnig was, want dan zou ik de middernachtzon zien! Om 00.00 (oké, 23.04 maar om 00.00 was het niet heel anders) zag ik dit…

en realiseerde me dat de middernachtzon gewoon een Nederlandse zonsondergang is die halverwege stopt. Ik vermoed dat ik zo ver boven de poolcirkel zat, en nog zo dicht bij de langste dag van het jaar (ik was er 11 juli) dat de zon nog heel hoog boven de horizon bleef, en je dus niet die rode gloed ziet die op alle ansichtkaarten staat.

Ik was trouwens niet de enige die opbleef:

huuu, ik wist me helemaal geen raad met zoveel mensen. Dus na tandenpoetsen en plassen maakte ik me weer snel uit de voeten, op naar mijn rustige tentje. Op aanraden van die Schot die me vertelde dat ik nog 1500 hoogtemeters voor de boeg had had ik mijn tent vlak bij de parkeerplaats gezet, daar stond hij volgens hem namelijk uit de wind. En inderdaad, andere tentjes (die linksachter die van mij staan, maar niet op de foto) stonden te flapperen in de wind en die van mij stond nagenoeg stil! Tijdens het opzetten wist ik dat nog niet omdat ik het toen windstil was. Ik had op de Noordkaap wind, regen en mist verwacht, maar windstil, blauwe lucht en zon!?

De volgende ochtend ging ik dezelfde weg terug en kon ik eindelijk een rendier fotograferen zonder dat het wegrende.

Ik ontmoette nog een Fransman die een enorme kar achter zijn fiets voorttrok. Hij hield nogal van koken en had niet alleen een hengel bij zich, maar ook twee soorten kooktoestellen en twee voortassen vol met eten. De vorige avond had hij naast een meertje gekampeerd, twee vissen gevangen en ze klaargemaakt met limoen en kruiden. Een echte Fransman. Hij heette ook nog Thierry. Ik vind het geweldig als mensen tijdens hun reis graag goed koken of goed fotograferen en daarom dus vreselijk veel zooi meezeulen, hij had meer dan ik! En hij maakte dus de foto van mij bij dit uitzicht.

Eenmaal in Honningsvåg nam ik de Hurtigruten, de postboot die in 4,5 dag van Bergen naar Kirkenes vaart en onderweg tal van havens aandoet, naar Mehamn. Zo hoefde ik niet dezelfde weg terug, en ook niet voor een tweede keer door de Noordkaaptunnel (hoewel ik dat achteraf gezien erg niet zo had gevonden).

Op boot had ik panorama-uitzicht en onderweg zagen we (een Zwitserse fietser en ik) verschillende walvissen langszwemmen. En ik geloof zelfs dat ik een papegaaiduiker zag, maar hij vloog nogal snel dus ik kon het niet goed zien. Ook was er een fietster met haar hond en dankzij haar weet ik dat ik echt veel geluk had op de Noordkaap. Zij was er namelijk dezelfde dag als ik en ging om 15.00 weg omdat het de hele tijd mistig en koud was. En ik kwam om 18.00 in de stralende zon aan!

De boot arriveerde om 19.15 in Mehamn en daar was het ongewoon kalm weer. 18 Graden, zon en nauwelijks wind. Gelukkig waarschuwde de campingbaas me dat het de volgende dag flink zou gaan waaien en hielp hij mij een plekje in de luwte te zoeken.

Geen wind heeft als nadeel veel muggen. Maar, ik heb een gigantisch voordeel ontdekt van de hele nacht daglicht. Er is namelijk bijna geen grotere frustratie als je in slaap wil vallen dan een zoemende mug in je binnentent. Een grotere frustratie is als je die mug niet te pakken krijgt. Hoe vaak heb ik niet met een zaklamp in mijn mond (want ik had geen hoofdlampje) mijn hele tent afgespeurd tot ik de boosdoener zag. Had ik ‘m eindelijk gespot dan moest ik in beweging komen om hem dood te slaan, en hier ging het vaak mis. De mug vloog uit mijn lichtbundel, de zaklamp viel uit mijn mond, of ik sloeg mis en kon de zoektocht opnieuw beginnen. Al die problemen heb je niet als het altijd licht is! Ik doe dus ook weinig moeite om mijn binnentent gesloten te houden. Als ik ’s avonds in mijn slaapzak ga liggen sla ik even alle muggen dood (het is ook best zielig, maar dat ze me prikken is vervelender) en slaap vervolgens prima!

Vanaf Mehamn ga ik verder naar het zuiden en zal ik nog wel meer muggen tegenkomen, ik wil namelijk 25 juli op het vliegveld van Rovaniemi staan als mijn moeder daar landt. En Finland is berucht om zijn muggen. Maar, het is ook leuk, want ik ben erg benieuwd naar de uitgestrekte bossen van Finland én ik ga voor het eerst van mijn leven een tijdzone overfietsen! Dus, over 2,5 week mijn laatste fietsblog en daarna mijn eerst camperblog!

De route: Ramberg – Svolvær – Melbu – Sortland – Andenes – (ferry Andenes – Gryllefjord) – Gryllefjord – Botnhamn – Tromsø – Svensby – Olderdalen – Storslett – Badderen – Langfjordbotn – Alta – Skaidi – Olderfjord – Honningsvåg – Noordkaap – Honningsvåg – (Hurtigruten Honningsvåg – Mehamn) – Mehamn.

Blog 4: De fietssnelweg naar de Noordkaap

We zwaaien als we elkaar tegenkomen en we maken regelmatig een praatje wanneer we wachten bij de veerboot of naast elkaar op de camping staan. ‘We’ zijn de Noordkaapfietsers. De RV17, de toeristische kustweg naar het noorden, is niet alleen het domein van campers en caravans maar ook van veel fietsers. Elke dag kom ik er wel een paar tegen. Twee Duitsers, een Pool, twee Zweden, een Noor, een Zwitser, een Brit, een Japanner en twee Nederlanders. Pakezels zoals ik, lichtgewicht reizigers met alleen achtertassen, fietsen met Ortlieb-tassen, fietsen met boodschappenfietstassen en een bult van spullen achterop, fietsers met een karretje. Alleen de fietser met de hond ben ik nog niet tegengekomen. Het is gezellig om af en toe een praatje te maken (hoewel ik echt een solofietser blijk te zijn, samen fietsen werkt voor mij niet, dan pas ik me veel te veel aan aan de andere fietser(s)), en aan de andere kant is het jammer dat de exclusiviteit van ‘naar de Noordkaap’ fietsen minder is want iedereen doet het! De vraag is niet meer waar je heen gaat, maar of je uit het noorden of het zuiden komt. Aan de andere kant: ‘iedereen’ is nog steeds betrekkelijk natuurlijk, en er zijn nog genoeg toeristen in campers en auto’s die met ontzag naar mijn fiets kijken.

Heimwee naar mijn eerste fietsvakanties…

Al vrij aan het begin van mijn reis bedacht ik me dat ik het jammer zou vinden om alleen op de Noordkaap aan te komen. En dus ontstond het plan dat mijn moeder naar Rovaniemi zou vliegen, we een camper zouden huren, zij me op de Noordkaap op zou wachten, we daarna nog drie weken samen rond zouden trekken en samen terug zouden vliegen. De tickets zij geboekt en de camper is geregeld, er is alleen één probleempje: Ik fiets te snel! Ik ontmoet steeds meer fietsers uit het noorden die twee, drie weken terug op de Noordkaap stonden, en ik heb nog ruim een maand de tijd. Omdat ik van korte fietsdagen een beetje moe word (mentaal gezien dan hè, fysiek gezien kan het geen kwaad om rustig aan te doen) heb ik besloten om toch gewoon lange dagen door te fietsen. Ik zal dan weliswaar alleen op de Noordkaap aankomen (hoewel, met al die andere fietsers…) maar ik kan dan daarna nog even de eindeloze Finse bossen op weg naar Rovaniemi ervaren. Of ik daadwerkelijk in Rovaniemi aankom doet er niet zoveel toe, er zijn weinig wegen dus mijn moeder kan me gemakkelijk tegemoet rijden (Mocht je trouwens nog tips hebben wat we moeten doen/zien die drie weken (Noorwegen, Zweden, Finland boven de poolcirkel) laat het weten in een reactie!).

Mooi uitzicht.

De afgelopen weken fietste ik door een prachtig Noorwegen met soms zon, soms regen en regelmatig grijze wolken. Met een veerboot passeerde ik de poolcirkel en het werd zelfs omgeroepen zodat we het moment suprême niet zouden missen. Dat was niet de enige veerboot waar ik afgelopen weken mee te maken kreeg. Na verloop van tijd werd ik zelfs veerboot-moe. De controlfreak in mij houdt namelijk niet van wachten en bereidt deze veerboottrajecten daarom met militaire precisie voor. Het gevolg is dat ik keurig op tijd de veerboten haal, maar ook dat ik niet echt ontspannen op de fiets zit. Och wat benijd ik soms de fietsers die geen idee hebben van de dienstregeling en het allemaal wel zien. Maar zo ben ik, blijkt nu en wist ik eigenlijk ook al wel, nou eenmaal niet gebakken. En het heeft ook zeker z’n voordelen om lekker op tijd op de camping te zijn en niet direct na het tent opzetten, douchen en eten de slaapzak in te willen kruipen.

Nog meer mooi uitzicht.

Er kunnen ook weer de nodige dieren toegevoegd worden aan mijn ‘dieren-die-ik-onderweg-gezien-heb-lijstje’. Niet dat ik daadwerkelijk zo’n lijstje bijhoud, maar in mijn hoofd toch zeker wel. De elanden staan, helaas, nog steeds op nul, maar ik heb ondertussen wel drie vossen gezien, waarvan één op een meter bij me vandaan over het kampeerterrein struinde opzoek naar achtergebleven voedsel. En op een ochtend daalde ik, nog enigszins slaperig, met een gangetje van 50 km/h af toen ik na een bocht vol in mijn remmen moest voor een heuse kudde rendieren. De arme beesten schrokken nog meer dan ik en zetten het op een lopen, dwars door de weilanden en bosjes. Ze maakten ook nog een hoop knorrende en snuivende geluiden dus ik was inmiddels helemaal wakker. Op een weer een andere camping liep een scholekster met twee jongen rond, het was mooi om te zien dat het ene jong helemaal niet bang was en rustig meters bij moeder (denk ik) vandaan liep, terwijl het andere jong telkens binnen vijftig centimeter bij z’n moeder bleef. En na het voeren van een paar wormpjes ging moeder zitten en kroop er een jong onder elke vleugel. En op diezelfde camping zag ik een Duitser, die te voet (!) van de Noordkaap naar het zuiden gaat, vis eten. Na een tijdje bood hij mij ook aan, zelf had ie er al zes op en er lagen er nog drie waarvan ik er twee gegeten heb en hij er nog één. Na het nodige zoek- en vertaalwerk werd duidelijk dat het een koolvis geweest was. De Duitser had ze binnen het uur gevangen en net als hij zijn er velen die het water op gaan om te vissen. Vissen is echt een grote sport in Noorwegen.

De enige plek waar ik droog kon lunchen, meteen ook mijn vreemdste lunchplaats ooit!

Vandaag ben ik op de Lofoten aangekomen. Hier barst het van de stokvissen. Het zijn voornamelijk vissenkoppen die ik zie hangen en wat fietsen normaal zo mooi maakt (je ziet, hoort en ruikt alles zoveel beter) is nu ietsje minder. Het ruikt naar de gedroogdevissnoepjes die we wel eens voor de kat kochten. En om het feest compleet te maken gooide ik vanavond door de pasta een blik tonijn in gelei. Dat ruikt niet alleen naar kattenvoer, het ziet er ook zo uit! Maar in tonijn zitten veel eiwitten en die kunnen mijn fietslichaam goed gebruiken. Enfin, de Lofoten dus. Ik heb er veel over gehoord dus ik ben erg benieuwd. De eerste kilometers waren in ieder geval al mooi!

Als afsluiter, nog meer mooi uitzicht. (ja, het meer loopt leeg, oeps)

En voor de liefhebbers de route: Mosvik – Steinkjer – Namsos – Myrvika – Næroy – Vennesund – Andalsvag – Tjøtta – Sandnessjøen – Nesna – Kilboghamn – Reipå – Bodø – (ferry Bodø – Moskenes (Lofoten)) – Ramberg.

Blog 3: fjorden, bergen en een stad

De dag waarop ik Odda weer uitfietste was het stralend weer. De zon scheen, de lucht was blauw en de temperatuur was goed. Ik hoefde niet lang te wachten voor ik mijn eerste fjorden zag en ik genoot met volle teugen. Ik had de wind in de rug maar stopte regelmatig om even om te kijken, het uitzicht achter me was namelijk minstens zo mooi als het uitzicht voor en naast me.

uitzicht langs het fjord

Toch moest ik al vrij snel de fjorden weer verlaten, omdat ik nog een stuk door het binnenland ging. De vergezichten langs het water werden weer ingeruild door prachtige watervallen, sneeuwlandschappen en haarspeldbochten. De beklimmingen stelden me op de proef, maar het hielp dat het weer goed was en dat er veel aardige mensen zijn. Toen ik eindelijk boven aan de Gaularfjellet stond stonden daar ook twee Duitsers. Ze keken vol verbazing naar mijn fiets en na een kort praatje stopten ze me een Snickers, Mars en appel toe. Heerlijk!

Skjervsfossen
Er lag nog best wat sneeuw
De klim op de Gaularfjellet van bovenaf gezien

Een nieuw fenomeen deze reis zijn de veerboten. Bij de eerste veerboot reed ik zonder te betalen de boot op, in de vooronderstelling dat er wel iemand langs zou komen, maar dat gebeurde niet. Ik wist niet goed of ik per ongeluk zwart gereisd had dus bij de volgende veerboot fietste ik duidelijk bij de kaartjescontroleur langs, maar ze negeerde me straal. Oké, op sommige veerboten zijn fietsers blijkbaar gratis, dat scheelt!
Uit één plaatsje vertrekken vaak meerdere veerboten. Dit moest natuurlijk een keer misgaan en dat gebeurde toen ik er 86 kilometer op had zitten. Ik moest de ferry van Hareid naar Ålesund hebben en ik volgde gewoon de bordjes waarop naast Ålesund ook Sulesund stond en waar behoorlijk wat auto’s stonden te wachten. Ik twijfelde wel of het nou klopte, het booticoon stond immers bij Sulesund en niet bij Ålesund, maar toen de klep eenmaal dicht ging kon ik toch niet terug. En ja hoor, na een kwartiertje ging de boot aanmeren maar dit was absoluut de haven van Ålesund niet, dit was een gigantische rotswand! Ik vroeg de mannen van de boot waar ik was en zij vertelden me dat ik de snelboot had moeten pakken die alleen voor fietsers en wandelaars is. Ik kon terug met de boot en dan weer de snelboot pakken, of de 25 kilometer van Sulesund naar Ålesund fietsen fietsen. Ik had mijn fiets al omgedraaid, terug de boot op, toen ik me herpakte en besloot te gaan fietsen. Met veel hulp van voorbijgangers die me de weg wezen kronkelde ik om de snelweg heen richting Ålesund waar ik vermoeid maar ook voldaan op de camping aankwam. Ik had 114 kilometer afgelegd, voor mij met bepakking en bergen een nieuw record!
Mijn tweeduizendste kilometer (dit keer merkte ik ‘m wel op) trapte ik ook weg in Ålesund. Dit was voor mij een bijzonder plaatsje omdat mijn moeder en oma er jaren terug ook eens geweest zijn. Mijn oma zat toen in een rolstoel en wilde koste wat het kost het kerkje van Ålesund van binnen zien. Mijn moeder duwde mijn oma door de rolstoelingang naar binnen en prompt stonden ze midden in de kerk waar net een doopplechtigheid bezig was! Het leek mij een mooie plek om een kaarsje voor mijn oma op te steken, inmiddels is ze alweer drie jaar geleden overleden, maar helaas voor mij was de kerk ditmaal echt gesloten. Toch was het bijzonder bij het kerkje geweest te zijn waar mijn moeder en oma geweest zijn en aan welke reis mijn moeder zulke goede herinneringen bewaart.

De 2000 kilometer!
Het kerkje van Ålesund
Zonsondergang vanaf de camping van Ålesund

Vanaf Ålesund was het niet zo ver meer naar Trondheim, waar ik met een vriendin had afgesproken. Ik fietste weer langs fjorden en checkte in het vervolg drie keer of ik wel op de goede veerboot zat.
Op de camping van Molde kwam ’s avonds om 22.30 een vrouw van mijn leeftijd langs met een pan soep, twee borden, lepels en servetten. Ze schepte op en voor ik het wist zaten we twee uur lang te kletsen over Noorwegen, Nederland, mijn reis en het leven in het algemeen. Het was erg gezellig en doordat het maar niet donker werd kregen we ook niet het gevoel dat het al heel laat was. Maar uiteindelijk waren bij alle campers de luiken gesloten en was het tijd om te gaan slapen.
Mijn reis werd onderbroken door een vakantie op de Øysand camping. Deze camping ligt zo’n 20 kilometer van Trondheim maar met de bus ben je in een half uurtje in het centrum. De vriendin waarmee ik afgesproken had kwam maandagmiddag aan en zou een weekje blijven. De eerste avond werden we getrakteerd op een prachtige zonsondergang en de eerste vijf dagen hadden we heel mooi weer. Deze dagen gingen we dus Trondheim in. (Ik verontschuldig me vast: ik ben straal vergeten foto’s van Trondheim te maken. Maar google maar Trondheim afbeeldingen, dan zie je ongeveer wat wij gezien hebben). Het is een fijne stad met een autoluw centrum dat nog kleiner is dan het centrum van Leiden, je kan dus makkelijk alles te voet doen. We maakten het onszelf gemakkelijk en deden rustig aan. We bekeken de Nidaroskathedraal (het noordelijkste startpunt voor een pelgrimstocht, wat een eind is het als je vanaf daar naar Santiago gaat lopen!), het Kristiansten Festning, de fietslift (hij werkte!) en verschillende (winkel)straatjes. In het park bij de universiteit lepelden we een halve watermeloen uit en deden een dutje. Ik vond het hartstikke heet (het was zo’n beetje twintig graden, maar de zon had veel kracht) terwijl zij, juist vertrokken uit een bloedheet Nederland, het heel lekker vond in de zon. We zochten dus altijd bankjes uit waar ik in de schaduw en zij in de zon kon zitten. De laatste paar dagen brachten we door op de camping waar we kletsten, spelletjes speelden en in de zon danwel schaduw lagen.
Voor mij betekende deze week ook een ander dieet. Eindelijk geen pasta met saus maar barbecueën (twee keer), zelfgemaakte pizzaatjes (twee keer, omdat het de eerste keer zo lekker was en omdat de oven van de camping heel goed werkte) en couscous. Het is gek dat ik zo kan genieten van eens wat anders eten maar het tegelijkertijd zelf niet voor elkaar krijg om in de supermarkt iets te bedenken. Hopelijk kan ik hier weer een tijdje op vooruit! O, én, we hebben een product gevonden dat goedkoper is dan in Nederland. Namelijk de wegwerpbarbecue. Deze kost 15 kronen, zo’n beetje €1,65. En hij werkt makkelijker dan de Nederlandse variant: de briketten zitten in een papier/plastic-achtige verpakking met daarop een soort aanmaakpapiertje en daarop ligt al het rooster. Je hoeft dus alleen maar dat aanmaakpapiertje aan te steken en na twintig minuten heb je een prima barbecue.

Zonsondergang vanaf de camping van Øysand (tijd: 22.38)
Zonsopgang vanaf de camping van Øysand (tijd: 02.10)
Gezelschap tijdens de barbecue. Deze kat kwam elke dag even langs de tent lopen. Van ons kreeg ze niks (niet bij de tent althans, wel bij de keuken), maar ze kroop bij de buren in de tent waarna die haar een stuk of tien gehaktballetjes gaven. De volgende dag, toen de buren weg waren, zat de kat op die plek weer lekker te kanen: hadden ze vijf gehaktballetjes voor haar achtergelaten!
Zonsondergang op de laatste, regenachtige, avond in Øysand

Nu ben ik dus weer alleen op pad. Het is even wennen, vooral ook omdat het weer omgeslagen is en het voortdurend (mot)regent en waait. De campingdichtheid is hier wat minder dus ik zal af en toe wat langere stukken (>90km) moeten fietsen of juist hele korte (40km) dagen hebben. Ik hoorde dat er een paar dagen terug ook twee Nederlandse fietsers op deze camping stonden, ook op weg naar de Noordkaap. Wat ik ervan begreep fietsen zij sneller dan ik, maar misschien kom ik dus binnenkort wat medefietsers tegen!

De route: Odda – Kvandall – Vossevangen – Myrkdalen – Vangsnes – Vik – Førde – Byrkjelo – Stryn – Fyrde – Hovdebygda – Hareid – Sulesund – Ålesund – Hamnsund – Brattvåg – Dryna – Molde – Sunndalsøra – Kvanne – Vindøla – Storås – Øysand

Blog 2: door het Setesdal

Voor het eerst deze reis werd ik wakker met kletterende regen op mijn tent. Gelukkig precies op de dag dat ik de ferry naar Noorwegen nam en dus niet veel hoefde te fietsen. Ik kocht een ticket bij de balie en was natuurlijk veel te vroeg bij het inchecken. Voor mij stonden twee motoren. De Engelsman had een lege accu en vroeg de Duitser of hij de motor aan wilde duwen. Het was een komisch gezicht, zo’n grote vent met paardenstaart die rennend een motor probeert aan te duwen. Het werkte helaas niet en uiteindelijk kwam er iemand met startkabels en hielp een Deense automobilist om weer leven in de accu te krijgen. Daarna stond de Engelse motorrijder dus met draaiende motor te wachten tot de boot kwam.

wachten tot we van de boot mogen

We, de motorrijders en ik, mochten als eerste de boot op en in tegenstelling tot de speciale motorplaatsen zijn er nooit speciale fietsplaatsen. Dus ik moest m’n fiets tegen een soort deur (die blijkbaar niet open hoefde) plaatsen en met m’n slot proberen ‘m zo goed mogelijk te verankeren. Toen ik eraan kon trekken zonder dat ie omviel vond ik dat ie goed stond en ging ik naar boven. In de tax free shop sleet ik m’n laatste Deense Kronen aan chocolade en moest ik geduldig wachten tot we in Kristiansand aan zouden komen. Toen ik naar buiten fietste werd het verkeer speciaal voor mij even tegengehouden zodat ik tussen de auto’s door een shortcut kon nemen. Er stond wel een Noorse politie-agent of douanebeambte maar ik hoefde geen paspoort te laten zien en kon zo doorfietsen.

een weg voor mij alleen

Tot mijn eigen verrassing vond ik zonder moeite de camping maar hoewel het hek open stond was de receptie dicht, en het sanitairgebouw ook. Ai, dezelfde weg terug dan maar, naar het centrum en kijken of ik een tourist information kon vinden. Helaas had ik onvoldoende opgelet op de heenweg en kon ik de juiste weg terug niet zo goed vinden. Na drie keer hetzelfde kruispunt overgestoken te hebben bood een man die zijn hond uitliet zijn hulp aan, en zei dat ik naar rechts moest en dan alleen maar rechtdoor. Dat was de enige weg op dat kruispunt die ik nog niet geprobeerd had en inderdaad, ik fietste zo het centrum in. Ik vroeg een studente die bij het stoplicht stond te wachten de weg naar de tourist information. Ze wist het niet, maar wilde het wel even voor me opzoeken, en terwijl we er samen heen liepen kletsten we wat over de bachelor die ze deed (biologie) en de master die ze wilde gaan doen (marinebiologie in Denemarken). Het tourist information was gesloten en er hing ook geen informatiebord buiten. De studente had het over het Yess-hotel gehad, maar ik wist natuurlijk niet waar dat zat. En net toen ik flink begon te balen stond ik zomaar recht voor de McDonalds. En de McDonalds heeft goede, gratis en wachwoordvrije wifi (een geschenk voor iedereen die de weg zoekt in een vreemde stad)! Ik zocht het Yess-hotel op en het zat inderdaad dichtbij. Daar aangekomen schrok ik me rot toen de receptioniste de prijs voor een nacht noemde. Maar ze was behulpzaam en wees me naar het Budgethotel, iets verderop. Nog steeds niet erg budget, maar betaalbaarder, ik mocht mijn fiets op de kamer stallen én leerde dat ik niet erg snel van m’n stuk te brengen ben. Ik kookte in mijn kamer, op m’n gasbrandertje, terwijl in het badkamertje de waarschuwing hing dat je ook ná het douchen de deur dicht moest houden, omdat anders de stoom de brandmelder af zou laten gaan. Dus ik zette het raam open, zodat mijn kokende pasta niet tot een loeiend brandalarm zou leiden. Die nacht was er echter iemand wat minder oplettend geweest en zo kwam het dat ik na enige tijd in halfwakkere toestand eindelijk doorkreeg dat het brandalarm af ging. Ik wierp, zonder mijn bril op zetten, waardoor ik dus nog bijna niks zie, een blik op de gang. Zag dat er ook anderen in hun deuropening stonden. Deed de deur weer dicht, ging naar de wc, kroop weer in bed en probeerde het brandalarm te negeren. Na enige tijd hield het geloei op en hoorde ik op de gang een bedeesd ‘sorry!’. Welkom in Noorwegen.

een wiebelende fietsbrug

De volgende dag merkte ik weinig van de onderbroken nacht en fietste ik de stad uit, die groter was dan ik verwacht had. Ik kon gelukkig het fietspad en de fietsbordjes volgen en na de nodige industrie belandde ik in natuurgebied. Langzaam volgde ik de Otra en fietste over onverharde, voor auto’s gesloten, wegen door bossen, langs meren en stroomversnellingen. Op de camping van Hornnes ontmoette ik een Nederlandse vader en zoon. We raakten aan de praat en voor ik het wist at ik mee en hadden we het de hele avond over kamperen, vuurmaken, kompaslopen en rally’s. Ik voelde me een soort leerling die informatie opzoog van enthousiaste vertellers. Toen het gesprek over mijn route ging vroeg de vader: ‘En hoe ga je dat straks dan doen? Aan het eind van het dal, in Haukeli, kun je links- of rechtsaf.’
‘Ik ga linksaf.’
‘Maar daar zijn allemaal tunnels.’
‘Jawel, maar ik ga over de oude wegen, zodat ik niet door de tunnels hoef’ zei ik wijs.
‘Daar ligt nog sneeuw.’
‘Uh, wat? Sneeuw!?’
‘Ja, ik vermoed dat die wegen nog allemaal ingesneeuwd zijn en die worden ook niet schoongemaakt want het autoverkeer gebruikt dus de tunnels.’
Tot zover mijn goede voorbereiding. Er ligt, in mei, in Noorwegen, nog best wel heel veel sneeuw. Ik kon mezelf wel voor m’n kop slaan. Ik had er geen seconde bij nagedacht dat ik nog wel eens last zou kunnen krijgen van ingesneeuwde wegen. Op de eerste camping waar ik deze reis stond was nota bene iemand die vroeg of ik de Rallarvegen ga fietsen (wat ik niet ga doen) waarna hij eraan toevoegde dat deze weg waarschijnlijk toch nog ingesneeuwd zou zijn. En er ging geen enkel belletje rinkelen dat ik daar misschien op andere wegen óók mee te maken zou kunnen krijgen. Wat ben ik soms een ei! Maar, de vader verzekerde mij dat er wel bussen zouden rijden, en de zoon vond dat de vader mij niet bang mocht maken, dus we hadden het weer over andere onderwerpen.

En zo houdt de weg opeens op. Gelukkig was er een redelijk alternatief over de doorgaande autoweg.

Toch bleef het probleem door mijn hoofd spoken. Wat als er geen bussen rijden? Of als ze geen fietsen meenemen? Moet ik dan terug naar Kristiansand, of in plaats van links- rechtsaf slaan en daarna een stuk de trein nemen? Maar ik moet wel op tijd in Trondheim zijn. En wat als…? En uiteraard had ik op de daaropvolgende fietsdagen geen wifiverbinding waardoor het niet mogelijk was informatie te vergaren. Dus was ik erg blij toen uiteindelijk in Hovden, zo’n 30 kilometer voor Haukeli, bij de tourist information bleek dat er een bus reed en dat ik mijn fiets mee zou kunnen nemen.

Op mijn kaart zag ik dat aan de andere kant van de heuvel een meer moest zijn. Dit was de parktijk.

Die dag regende het weer dat het goot en ik fietste naar Haukeli, waar ik veel te vroeg was en koukleumend in de bushalte wachtte tot de bus kwam. De buschauffeur was chagrijnig en keek nogal moeilijk naar mijn fiets, maar ik had twee uur zitten wachten en was dus absoluut niet van plan om niet met deze bus mee te gaan (er gaan er twee per dag). Met wat proppen paste het ook prima. Bij de overstap moest m’n fiets in de kleinere bus, maar ook hier lukte het. En zo belandde ik uiteindelijk in Odda. Ik was achteraf gezien blij dat ik de bus moest nemen. De weg tussen de tunnels, waar ik op gefietst zou hebben, was druk. En hoewel Noren vaak inhouden en ruim inhalen zijn er ook types bij (zoals de buschauffeur) die gewoon doorrijden.

uitzicht vanuit de bus

De camping van Odda was klein en gemoedelijk dus toen bleek dat het na mijn rustdag nog één dag heel slecht weer zou worden besloot ik al snel om dan nog een dagje te blijven. Ook was het voor het eerst dat ik echt jammer vond dat ik niet kan wandelen. Mijn fietsschoenen zijn ongeschikt; de zolen zijn stijf en met de spd-plaatjes eronder glijd ik uit over elke rots. Maar er zijn in de buurt van Odda mooie wandelingen waarvan overal affiches (met de nodige waarschuwingen) hangen. Nu stond er ook op die affiche dat je in mei niet zelfstandig maar met een gids de tocht moet maken. Maar vanaf juli kon het zelfstandig. Dus ik denk dat ik wel weet waar mijn volgende zomervakantie gepland wordt!

uitzicht vanaf de camping van Odda

Het begon ’s avonds rond 20.00 te regenen en dat ging door tot de volgende dag 15.00. Wat was ik blij dat ik besloten had niet te gaan fietsen. Ik luierde wat, las wat boeken, deed toen het eindelijk droog was boodschappen en daarna werd het tijd om mijn spullen weer in te pakken en weer op de fiets te stappen. Op naar de eerste fjorden!

Voor de liefhebbers weer de route:
(ferry Hirtshals – Kristiansand (Noorwegen) – Kristiansand – Evje – Bygland – Rysstad – Bykle – Hovden – Haukeli – (bus Haukeli – Røldal – Odda) – Odda

Blog 1: De eerste duizend

De eerste (ahum) duizend kilometer!

Zo. De eerste duizend kilometer zijn achter de rug. In blogs van andere fietsers had ik gezien hoe zij elke duizend kilometer een foto van hun kilometerteller maakten en dat wilde ik ook. Dus toen ik de 900 gepasseerd was ging ik steeds beter opletten. 978. Nog 22 kilometer. En toen stond de teller opeens op 1005. Oeps.

De eerste kilometers waren zwaar. Het was koud, winderig en regelmatig kreeg ik een hagelbui op m’n kop. Ook de nachten waren koud: ’s ochtends zat er ijs op mijn tent. Ik had wel warmere slaapspullen bij me dan twee jaar terug, maar dat het zo koud werd overviel me toch. Ook zorgde de kou ervoor dat ik niet genoeg rust nam om goed te eten, waarna ik weer chagrijnig werd door energietekort. Regelmatig zat ik met ‘jong en mooi’ van Brigitte Kaandorp in mijn hoofd, en dan vooral de laatste paar, door mij door elkaar gehusselde, regels: ‘Ik ben moe, ik heb honger, ik wil hier vandaan, ik hoef eigenlijk, alleen nog maar, dood te gaan.’ Hè gezellig. Zo ernstig was het gelukkig allemaal niet hoor, maar ik kwam dus met de nodige horten en stoten op gang.

De desbetreffende kat in 2017

Deze route, van Nederland naar Denemarken, fietste ik op de terugweg van mijn vorige reis ook, maar dan de andere kant op, en dat geeft toch een wonderlijk effect. Ik zal het niet snel weer doen (ook omdat (Noord)Duitsland en Denemarken niet de meest spectaculaire landen zijn om doorheen te fietsen) maar het is wel grappig om te merken dat de omgeving allemaal herinneringen oproept: ‘Hé, bij dit bushokje heb ik geschuild toen het goot van de regen. Hier had ik een lekke band. Op deze camping zette de buurman, omdat ie t zo leuk vond dat er een Nederlandse naast hem stond, Jantje Smit heel hard aan. En o ja, ik had niet om hoeven fietsen voor een supermarkt, want er zit er hier dus één, dat wist ik wel.’ Maar de leukste was toch wel toen ik na een bocht opeens een sjieke overdekte picknickplaats zag, waar ik twee jaar geleden geluncht had. Ondanks het feit dat ik vlak daarvoor al even gepauzeerd had besloot ik om goed uit te rusten. Destijds was er een rode kat, die eerst zijn ‘patrouillerondje’ liep, maar zich daarna uitgebreid door mij liet knuffelen. Maar nu zat ik alleen, hoewel er wel eekhoorntjes waren die allerlei capriolen uithaalden in de bomen tegenover mij. Toen ik maar weer op de fietst stapte was ik nog geen vijftig meter gevorderd of ik zag iets roods op een muurtje zitten. Ik stopte, de kat aarzelde, ik riep hem, en ja hoor, daar kwam ie! Dezelfde kat als twee jaar terug liet zich weer uitgebreid aaien en ik vond het jammer om hem weer achter te moeten laten.

Naast eekhoorntjes en katten (véél katten!) heb ik de nodige andere beesten gezien. De tweede dag al fietste ik in alle vroegte over de Veluwe toen ik in de verte een zwart beest aan de kant van de weg zag staan. Eerst dacht ik dat het een hond was, dat is immers het meest logisch, maar toen ik dichterbij kwam zag ik dat het niet bepaald het postuur van een hond had. Het was kleiner en dikker en het bromde. Ik bleef op een afstandje staan kijken hoe het beest zich omdraaide en het struikgewas in schoot. Aan de overkant van de weg was nu ook beweging: om het grote zwarte beest te volgen moesten kleine bruine hummeltjes de weg over steken. Het waren wilde zwijnen met jongen! Verderop hoorde ik nog meer beweging en in een treintje schoten drie volwassen en een aantal kleintjes het struikgewas door. Sorry voor het storen jongens!

Die wilde zwijnen heb ik verder niet meer gezien, maar in Duitsland zag ik ontzettend veel buizerds en allerlei mezen en vinkjes waarvan ik de naam niet ken, en waarvan ik niet zeker weet of ze niet ook gewoon in Nederland voorkomen maar ik ze daar nooit gezien heb. In Denemarken wemelt het van de zwaluwen en bonte kraaien, die ik er heel leuk uit vind zien met hun grijze bodywarmers aan. En het was ook in Denemarken waar ik op een oude spoorbaan, thans fietspad, langs het Halkær Bredning fietste en in de verte iets zag dat me tot stoppen dwong. Zag ik dat nou echt goed? Midden op de dag? In de linkerberm zat een vos. Toen ik naderbij kwam keek hij wel even op, maar daarna concentreerde hij zich weer op iets wat zich in de berm bewoog. En net voor ik mijn fototoestel had gepakt maakte hij de voor een vos zo kenmerkende sprong en kwam met de buit in z’n bek de berm uit. En hij had nog geen drie meter gelopen of z’n aandacht werd alweer getrokken door iets in de rechterberm. Hij legde z’n pas vergaarde buit neer en dook in de greppel. Omdat er tegenliggers aankwamen besloot ik al filmend in zijn richting te fietsen. Hij schrok veel erger dan ik verwacht had (ik ben alleen de tamme vossen, inmiddels zo’n beetje huisdieren, uit de Amsterdamse Waterleidingsduinen gewend) en rende het bos in. Een onbewerkt filmpje waaruit ook blijkt dat er geen groot natuurfilmer aan mij verloren is gegaan kun je hier zien.

Hoewel de natuur altijd al veel meer aantrekkingskracht op mij uitgeoefend heeft dan cultuur probeer ik toch, lesje van vorige keer, wat meer bij cultuur stil te staan. Zo besloot ik toen ik in Esterwegen was om de bordjes Gedenkstätte te volgen, en voor ik het wist kwam ik, zo vanuit een woonwijk, bij het voormalig concentratie-/strafkamp Esterwegen terecht. Dit kamp werd in 1933 al opgericht en was afwisselend concentratie- danwel strafkamp. Ik liep een rondje door het kamp en het museum, maar omdat een concentratiekamp in je eentje bezoeken nooit een erg goed idee is, en omdat de spd-plaatjes onder mijn schoenen een naar geluid maakten op de stalen vloer, maakte ik vrij snel rechtsomkeert. Maar niet voordat ik me verbaasde over de foto’s, namen en geboorte- en sterfdata die aan de muur hingen: sommigen van de overlevenden van het concentratiekamp waren toch nog dik 90 jaar geworden.

Joodse begraafplaats Ovelgönne

De volgende dag fietste ik rustig over een asfaltweg richting Ovelgönne toen ik een straatnaambordje ‘Zum Judenfriedhof’ zag. Mijn interesse was gewekt en ik sloeg het onverharde weggetje in. Niet veel later stond ik naast een zwart hek dat toegang bood tot het begraafplaatsje met een stuk of dertig stenen. Daarnaast stonden er een paar dikke bomen, veel lang gras vol paardenbloemen en een informatiebord waarop de geschiedenis van de begraafplaats uit de doeken gedaan werd. Het zag er verlaten uit, maar het bestaat gelukkig nog wel.
Nog eens een paar dagen later fietste ik, tot mijn grote verbazing, dwars door het voormalig Deens concentratiekamp Førslev heen. Dit kamp schijnt één van de best bewaarde kampen te zijn: alle barakken staan keurig in de rode verf en het geheel doet dan ook meer aan als een soort vakantiepark dan als een voormalig concentratiekamp. Ik vond het ook vreemd, hoewel ik het twee jaar terug dus ook gedaan heb, om er ‘gewoon’ doorheen te fietsen. Wie plant er nou een fietsroute dóór een concentratiekamp heen?
Dit alles zorgde er wel voor dat ik in de stemming raakte voor 4 mei. Dankzij de ontzettend goede wifi kon ik, liggend in mijn tent, de NOS-livestream kijken en om 20.00 (of door de vertraging waarschijnlijk 20.01) twee minuten stilte houden. Het was wel een vreemde gewaarwording dat het leven in Denemarken natuurlijk gewoon doorging. Autodeuren werden dichtgeslagen, kinderen op het nabijgelegen sportveld schreeuwden, mensen praatten. Maar ik was even stil en realiseerde me des te meer dat, dankzij de strijd voor de vrijheid toen, de vrijheid in Europa nu het mogelijk maakt dat je zo’n beetje elke grens kan passeren zonder een paspoort te hoeven laten zien.

Morgen moet ik waarschijnlijk voor het eerst wél een paspoort laten zien, namelijk bij de grens met Noorwegen. Zo werd het althans aangekondigd op de site van de rederij. Eerst nog even een ticket bemachtigen, drie uur varen, en daarna ben ik (eindelijk) op Noors grondgebied! Op naar de volgende duizend (of twee) kilometer, naar Trondheim, waar ik met een vriendin heb afgesproken en waar we een weekje vakantie zullen houden.

En voor de liefhebbers: de gefietste route. Bodegraven – Putten – Ommen – Emmen – (grens Nederland/Duitsland) – Esterwegen – Wiefelstede – Sandstedt – Glückstadt – Schleswig – Padborg – (grens Duitsland/Denemarken) – Rødekro – Vejen – Silkeborg – Viborg – Aalestrup – Nibe – Aalborg – Løkken – Hirtshals – (ferry Hirtshals – Kristiansand (Noorwegen)).

Blog 0: Op naar het noorden!

Na mijn Europareis in 2015 wist ik vrij zeker dat ik niet weer zo’n lange solotocht zou ondernemen. Maar hier sta ik dan, aan de vooravond van een solofietstocht waarvan ik niet eens weet wanneer en waar die eindigt.

Mijn plan is simpel: via Duitsland en Denemarken fiets ik naar Noorwegen en in Noorwegen zie ik verder wel. Wat het is weet ik (nog) niet maar iets trekt me ontzettend aan.

Ik ben heel benieuwd hoe het fietsen me vergaat. Het afgelopen jaar heb ik als fietskoerier gewerkt bij Cycloon Amsterdam. Niet alleen heb ik de stad daardoor heel goed leren kennen, ook heb ik daardoor veel sterkere bovenbenen en een goede conditie. Ik hoop natuurlijk dat ik fluitend de, naar het schijnt venijnige, bergen aan de Noorse kust beklim. Hoe de praktijk is zal ik nog wel laten weten.

Mijn kamer in Amsterdam Osdorp heb ik met gemengde gevoelens opgezegd. Ik heb een haat-liefde-verhouding met Amsterdam ontwikkeld. Ik hou van de stad waar alles kan, de grachten, de uitzichten bij het IJ en tot op zekere hoogte zelfs van de drukte. Maar toch overheerst het gevoel van blijdschap om Amsterdam weer te verlaten. De drukke fietspaden, de ongeduldige, bellende en rap van de tongriem gesneden Amsterdammers, de onoplettende toeristen en de haast waarmee ik me soms door de stad moest bewegen, ik ben er wel klaar mee. Ik verlang naar wegen waar je schrikt van plotseling overstekend hert in plaats van van een plotseling overstekend kind.

Die rustige wegen, met of zonder hert (eland), zal ik in Noorwegen wel kunnen vinden. Ik kijk dan ook erg uit naar deze wegen, uitgestrekte landschappen en ruige natuur. Tegelijkertijd ben ik erg benieuwd wat deze leegte met me zal doen. En er is maar één manier om dat te ervaren en dat is door op de fiets te stappen en te GAAN.